Vluchten bij de Olympische Spelen is meer regel dan uitzondering

Bloed in het water’. Zo is de waterpolowedstrijd tussen de Sovjet-Unie en Hongarije tijdens de Spelen van 1956 de geschiedenis in gegaan. Het was in Melbourne, een paar weken nadat de Sovjet-Unie een volksopstand in Boedapest tegen het stalinistische bewind hard had neergeslagen – er vielen honderden doden, duizenden werden gearresteerd. Nederland had daardoor samen met een aantal andere landen de Spelen in Melbourne geboycot, maar Hongarije zelf deed dat niet.

Het was de halve finale. Er waren al vijf man uit het bad gestuurd vanwege buitengewoon agressief spel. Hongarije zou gaan winnen, dat was al duidelijk in het vierde kwart, toen sterspeler Ervin Zador (21) in het gezicht werd geslagen door een tegenstander. Het bloed liep in grote stralen langs zijn gezicht, het water in. Hij zou later tegen de BBC zeggen dat hij „wel vierduizend sterretjes zag”.

Zador had toen al besloten dat hij niet terug zou gaan naar Hongarije – hij wilde vrij kunnen leven. Meer dan zestig atleten, vooral Hongaren, deden na die Spelen hetzelfde: ze vroegen asiel aan in Australië of andere landen en keerden niet terug naar huis. Zij waren niet de eersten en ook niet de laatsten. Bij vrijwel elk groot sporttoernooi proberen sporters hun thuisland te ontvluchten vanwege politiek of armoede.

Bevel van hogerhand

In Tokio kwam deze maandag de Wit-Russische sprintster Kristina Tsimanoeskaja aan op de Poolse ambassade. In een videoboodschap had zij eerder kritiek geuit op de coaches van het team, die haar hadden ingeschreven op de 4×400 meter estafette, terwijl ze niet voor die afstand had getraind. In Wit-Rusland – geleid door ‘Europa’s laatste dictator’ Aleksandr Loekasjenko – begonnen staatsmedia een hetze tegen haar. Een vijand van het land zou ze zijn.

Toen werd Tsimanoeskaja uit de olympische ploeg gezet en naar het vliegveld gedirigeerd. Er zou een bevel van hogerhand zijn gegeven, vertelde de atlete aan Reuters.


dit verhaal van correspondent Emilie van Outeren die gewond raakte bij een neergeslagen demonstratie in Wit-Rusland

Ze weigerde terug te vliegen naar Minsk, zocht contact met de Japanse politie en het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en werd – zo zei een IOC-woordvoerder – „in veiligheid” gebracht. Tsimanoeskaja krijgt asiel in Polen, maakte de onderminister van Buitenlandse Zaken maandagmiddag bekend. Haar man en kind voegen zich spoedig bij haar.

„Vluchten gebeurt eigenlijk altijd tijdens een groot sporttoernooi en eigenlijk is het ook logisch”, zegt onderzoeker Gijsbert Oonk van de Erasmus Universiteit. Hij doet al jaren onderzoek naar sport en migratie. Sporttoernooien in alle soorten en maten worden ‘gebruikt’ om een nieuwe toekomst op te bouwen, zegt Oonk. Bij de Spelen gebeurt het relatief vaak, omdat atleten uit de hele wereld samenkomen.

Bij de Spelen van München (1972) zouden meer dan honderd sporters hun land zijn ontvlucht, meestal weg van het ijzeren gordijn. In Londen (2012) wandelden drie Soedanese olympisch atleten nog voor de openingsceremonie een politiebureau binnen om asiel aan te vragen. Dat toernooi verdwenen ook vijf boksers, een zwemmer en een voetbalster uit Kameroen – ook zij wilden een nieuw leven opbouwen.

Zelfs tijdens deze Olympische Spelen gebeurde het al: de Oegandese gewichtheffer Julius Ssektoleko verdween uit zijn hotel in de Japanse stad Izumisano. De Franse krant L’Équipe meldde dat hij een briefje had achtergelaten: „Ik wil in Japan blijven leven.” Dat mislukte overigens, hij is inmiddels terug in Oeganda.

Ook bij andere sporttoernooien komt het voor. Bij het WK voetbal in Zuid-Afrika (2010) verdwenen vier Noord-Koreaanse spelers – ze waren ineens weg bij de openingswedstrijd tegen Brazilië. Rond de Haarlemse Honkbalweek zijn meerdere keren Cubaanse spelers uit hun hotel vertrokken om in Europa te blijven of naar de Verenigde Staten te reizen.

De slechtziende worstelaar Sander Terphuis – die in Iran werd geboren als Ahmad Queleich Khany – vluchtte in 1990 tijdens de Wereldspelen voor gehandicapten in Assen en bouwde in Nederland een nieuw leven op. „Ik heb een sterke eigen mening en ga graag mijn eigen weg. In die samenleving kan dat niet”, zei Terphuis vorig jaar in NRC.

Lees ook: het verhaal van de gevluchtte worstelaar Sander Terphuis, die in Iran werd geboren als Ahmad Queleich Khany

Oonk ziet een duidelijke beweging: vroeger, in de Koude Oorlog, waren het meestal atleten uit Oost-Europa die naar het Westen vluchtten. Tegenwoordig gaat het meestal om sporters uit arme Afrikaanse landen die in het rijkere Westen willen leven. „De kwestie rond Kristina Tsimanoeskaja doet denken aan vroegere tijden, omdat zij vlucht voor een repressief regime”, zegt Oonk.

Straf voor de familie

Het is belangrijk, zegt Oonk, dat ook haar man en kind Wit-Rusland zouden hebben verlaten. Vroeger waren landen zich er namelijk zeer van bewust dat sporters konden vluchten. Aan de ene kant wilde bijvoorbeeld de DDR dat sporters het imago van Oost-Duitsland zouden oppoetsen door goede prestaties op sportevenementen, maar aan de andere kant was er altijd het vluchtgevaar. Oonk: „In de Koude Oorlog-tijd bleven families vaak achter, waardoor vluchten veel moeilijker werd. Atleten wisten dan dat het regime druk op hun familie zou kunnen uitoefenen en dat er repercussies konden volgen.”

Het IOC bemoeit zich in principe zo min mogelijk met politieke zaken. In het geval van Tsimanoeskaja lijkt de sportorganisatie hulp te hebben geboden. Maandagochtend (Nederlandse tijd) was het een IOC-woordvoerder die bekendmaakte dat de spintster de nacht had doorgebracht in een hotel nabij het vliegveld van Tokio. Het IOC zou het nationaal olympisch comité van Wit-Rusland om opheldering hebben gevraagd. De zoon van Aleksandr Loekasjenko staat aan het hoofd van dat comité – het IOC heeft zijn verkiezing niet erkend. Tsimanoeskaja kan rekenen op de steun van het IOC, zei de woordvoerder: „We willen ervoor zorgen dat ze krijgt wat ze wil.”

Source