Moord op Abe maakt einde aan relaxte omgang tussen Japanse politici en kiezer

De schutter kon tot enkele meters afstand komen, en had na zijn eerste gemiste schot ruim de tijd om nog een paar stappen naar voren te zetten en met zijn volgende schot wel doel te treffen. “Het valt niet te ontkennen dat er problemen waren met de beveiliging,” zegt Tomoaki Onizuka onthutst. Hij is het hoofd van de politie in Nara, de stad waar vrijdag de Japanse oud-premier Shinzo Abe werd vermoord.

Die onthutsing is in Japan breed voelbaar. De campagne werd een dag later alweer hervat, maar wat er in de media te zien was van de campagnetoespraken toonde meteen het grote verschil tussen het Japan van voor en na de aanslag. Met hekken en politieagenten werden toeschouwers op meters afstand gehouden. Een ongewoon beeld dat de fysieke afstand tussen politicus en publiek direct voelbaar maakte.

“Het was altijd veilig tijdens dit soort toespraken, er was simpelweg geen gevoel van gevaar,” zegt Paul Nadeau, universitair docent aan Temple Universiteit in Tokio. “Het is in Japan normaal dat een politicus open en toegankelijk is.” Deze vorm van politiek is gebaseerd op een breed gedragen gevoel van openbare veiligheid, dat door de aanslag op oud-premier Abe is verbrijzeld.

De Japanse politiek is intiem

Terwijl in Nederland verkiezingscampagnes op televisie en op de radio worden gevoerd, is dit in Japan vrijwel verboden. Ook internetcampagnes mogen maar beperkt. Daarom gaan politieke kandidaten naar steden en dorpen om stemmers te winnen.

In de campagne lopen ze over straat, schudden handen en maken praatje. Of ze staan voor een druk station op een krukje met een microfoon in de hand en houden een toespraak, zoals Abe vlak voor de moord.

“Toen ik nog als secretaris voor de Liberaal Democratische Partij (LDP) werkte, was het normaal om kabinetsministers op een straathoek te zien staan met een menigte,” zegt Nadeau. Hij heeft jarenlang meegeholpen bij het organiseren van campagne-evenementen, ook voor Abe in 2017. “Toen hij bij ons een toespraak hield was hij nog premier, maar ik had nou niet het gevoel dat de beveiliging zoveel beter was. Misschien een paar extra agenten, maar dat was het.”

Zo anders was dat na de moord. Bij een toespraak van de zittende premier Fumio Kishida stonden tientallen politieagenten paraat, en stond er een metaaldetector voor mensen die dichterbij wilden komen. Zomaar handen schudden ging niet meer.

Lange geschiedenis van geweld

Het is niet dat Japan helemaal geen politiek geweld kende. In 1960 werd Inejiro Asanuma, leider van de Socialistische Partij, doodgestoken toen hij een toespraak hield. De dader kon rustig het podium opklimmen, waarop hij een zwaard trok en naar Asanuma sprintte. En in 2007 werd Itcho Itoh, de burgemeester van de stad Nagasaki, doodgeschoten door iemand uit de onderwereld. Maar deze aanslagen werden gezien als ‘incidenten’. Politici bleven daarom benaderbaar en de beveiliging werd niet structureel aangescherpt.

Daarbij is het grootste deel van het vuurwapengeweld in Japan bende-gerelateerd. Volgens de Nationale Politie waren er vorig jaar in Japan in totaal tien schietincidenten. Acht daarvan konden gelinkt worden aan de Japanse maffia. En maar één daarvan had een dodelijke afloop.

Dat nu juist oud-premier Abe wordt getroffen door dit soort geweld – gepleegd door een gewone burger – maakt het des te schokkender voor het Japanse publiek.

Meer afstand tussen politicus en stemmer

De moordaanslag op Abe was een ‘ondenkbaar scenario’. Nu het toch gebeurd is, staan Japanse politici voor de vraag hoe ze toch dicht bij hun kiezers, ondanks de aangescherpte beveiliging die de afstand vergroot. En via de media campagnevoeren is nog steeds niet toegestaan.

“Het is in Japan normaal dat je als politicus je boodschap direct aan je stemmers overbrengt,” zegt Naudeau. Nu is dat gevoel van veiligheid, dat de grondslag vormt van de Japanse democratie, in gevaar. Die manier van campagnevoeren zal veranderen, zegt hij ook. “Maar dat is nou zo jammer. De LDP roept nu al dat Japan veiliger moet worden, maar ze moeten laten zien dat ze iets aan de situatie kunnen doen.”

Source