Ik wist dat ze me vergiftigde

Van de reis herinner ik me weinig. We gingen door de lucht, warme lucht, koude lucht, benauwde lucht. Stoelen als eilanden, first class. Een stewardess met rode lippen, lachend, een close-up van haar tanden. In some cases the nearest exit may be behind you. Een achterbank, een chauffeur, koel zwart leer. Flesjes water, open water. Films van lang geleden. Vreemdelingen in steegjes, kleine jongens in matrozenpakjes, smeltende schmink. Benvenute a Venezia signore.

Eigenlijk had ze over land willen reizen, zoals ze normaal gesproken deed. Naar München, daar op de nachttrein, een bootje naar het eiland, ontbijten bij aankomst. Maar met mij, de zieke, en de baby was het zaak zo snel mogelijk op de plaats van bestemming te zijn.

San Clemente Palace Kempinski: een vijfsterrenhotel van het ouderwetse soort. Kruiers, piccolo’s, gouden bagagetrolleys, kroonluchters zo groot als gondels. Overal personeel, geruisloze bedrijvigheid. Zachte vloerbedekking, zacht licht — alles om de patiënten niet van streek te maken.

Daar gingen we, de lobby door, een dirigent met haar orkestje van hulpbehoevenden. Ze had me in een rolstoel laten zetten. Met zichtbare verveling duwde een boomlange jongen met woekerende acné me voort. Zij marcheerde een paar passen voor ons uit, jurk van zwarte zijde, zwarte sandalen, zwarte haren in een strakke staat. Mijn baby op haar arm.

Ze had twee aangrenzende kamers geboekt. Er was een houten ledikant voor de baby, dat ze per ongeluk op haar kamer hadden neergezet.

„De baby slaapt bij mij”, zei ze, toen ik haar wees op de vergissing. „Jij moet uitrusten.”

En dus rustte ik uit, wat betekende dat ik de peperdure lakens doorweekte met mijn zweet, mijn gal spuwde in een zilveren champagne-emmer, pogingen deed het bed uit te komen maar huilend van frustratie door mijn knieën zakte zodra ik met mijn voeten de grond raakte.

Soms kwam ze mijn kamer binnen, maar nooit met mijn dochter. Ze las me voor uit de Corriere della Sera, depte mijn voorhoofd met een nat washandje, voerde me in thee gedoopte cantuccini. Ik wist dat ze me vergiftigde, zoals ze thuis had gedaan met die grapefruits. Dit was van meet af aan de bedoeling geweest, haar bedoeling en misschien ook de mijne. Ik wist ook dat we het spel helemaal moesten uitspelen, zij en ik.

En dus opende ik welwillend mijn mond als ze er een koekje in stopte. Ik liet haar mijn haren kammen, leunde tegen haar aan, zei fluisterend dankjewel als ze aanstalten maakte de kamer te verlaten, dankjewel voor alles.

Als ik vroeg waar mijn dochter was, of ik haar mocht zien, zei ze steevast: ze slaapt. Soms dacht ik haar te horen, een gedempt huilen achter de muur, maar als ik me inspande om te luisteren vervloog het geluid.

’s Nachts, wanneer de hotelgasten sliepen en de stilte haar meest intense vorm aannam, verscheen het zwarte paard met negen hoofden aan mijn bed. Voorwaarts, zijwaarts, wit veld, zwart veld. De hoofden wiegden heen en weer, het paard hinnikte, negen monden, overal tanden.

Volgende week: Het alomvattende dieptepunt.

Source