Geen armoede

Maandagmiddag bekeken de neven (15 en 13), mijn zus en ik het VN-klimaatrapport. Het was een verslag dat voelde als een vonnis. Als er niets wordt gedaan, is er tegen 2100 alleen nog op beperkte plekken leefruimte voor de mens. Hele continenten zullen onderlopen of verdorren.

De oudste neef, die dankzij de klimaatcrisis al jaren kampt met een pre-traumatische stressstoornis, was na het rapport zo van slag dat hij een oxazepam mocht. Na een uurtje maakten woede en doodsangst plaats voor gelatenheid.

„Ik ga toch maar dat diploma reddingszwemmen halen”, zei hij vlak.

„Goed plan”, zei de zus terwijl ze de kaart bekeek. „Er zijn trouwens ook pluspunten: alle panden van prins Bernhard junior liggen straks onder de zeespiegel. Mooi zeemansgraf voor zijn hebzucht.”

Ik zei maar even niets, want ik ken genoeg mensen die al hun spaargeld belegd hebben in huizen die, als de voorspellingen uitkomen, straks onder water liggen. En dat is nog maar een kleine ramp vergeleken bij al die ecosystemen die vernietigd zullen worden, culturen die zullen verdwijnen, diersoorten die worden uitgeroeid. Alleen met de tonijn zag ik het nog goedkomen, tot ik de paragraaf las over zuurstofverarming van de oceanen en toen ook maar een oxazepam nam.

Oudoom Karel belde vanaf de camping in Overijssel, om te checken hoe het met de oudste neef ging. We zeiden dat hij redelijk kalm bleef, en lieten maar even in het midden dat dat vooral aan de medicatie te danken was.

‘Allemensen”, zei Karel zacht, „wie had dat gedacht, Twente de nieuwe kustprovincie. Gaan we straks bij lekker weer naar Almelo aan Zee.”

Tijdens het avondeten opperde de zus dat we toch eens moesten uitzoeken of we wat kavels op West-Antarctica konden kopen, zodat de nakomelingen van onze nakomelingen nog een plek hadden om te wonen.

„Maar ja”, zuchtte ze, „geen idee bij wie we een perceel kunnen aanvragen. Waarschijnlijk gaat daar de volgende wereldoorlog over. De slag om de Zuidpool. Mens versus pinguïns in de strijd om Lebensraum.”

„Denk je nou echt”, zei de oudste neef, „dat daar nog iets te krijgen is? Al die miljonairs hebben waarschijnlijk al jaren geleden belegd in lappen grond daar.”

Hij was even stil en zei toen:

„De armen mogen wat hen betreft barsten. Wat overblijft is een wereld met alleen maar rijken.”

„Dan is er straks dus ook geen armoede meer”, zei de jongste pienter.

En hoewel dat goed klonk, zag hierna niemand van ons nog langer reden om de rest van de avond nuchter door te brengen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Source