Adek houdt samenleving spiegel voor over onvoldoende benutten agrarische sector

“Pas wanneer de laatste boom is gestorven, de laatste rivier is vergiftigd en de laatste vis is gevangen, zullen we beseffen dat we geen geld kunnen eten”, citeerde professor Lydia Ori een bekende uitspraak. In de Diesrede heeft de hoogleraar dinsdagavond in de Centrumkerk vanuit de wetenschap haar visie over de ontwikkelingsrichting gegeven en een masterplan gepresenteerd om het maximale te halen uit de agrarische sector.

door Wilfred Leeuwin

De Anton de Kom Universiteit van Suriname heeft op haar 54ste ‘verjaardag’, bij de opening van het nieuwe collegejaar, de samenleving geconfronteerd met het falen van de agrarische sector, maar tegelijkertijd gewezen op de uitdagingen die de sector met zich meebrengt. Ori wees erop dat in 2050 de wereld tien miljard inwoners zal tellen. Om die groeiende mondiale bevolking te kunnen voeden, zal de agrarische sector wereldwijd 60 procent meer voeding moeten produceren. Maar aan de andere kant zullen, als gevolg van de toenemende populatie, de kwaliteit en hoeveelheid van natuurlijke hulpbronnen verminderen door overexploitatie, intensieve landbouw en landfragmentatie.

‘Willen we voedsel garanderen, dan zal er moeten worden geïnvesteerd in duurzame en innovatie strategieën’

professor Lydia Ori

De agrarische sector neemt af en in sommige delen van de wereld is men zelfs al volledig afhankelijk van import van voedsel. Er zijn institutionele zwakheden in het agrarische beleid van het Caribisch Gebied, waartoe ook Suriname behoort. Er wordt veel meer geïmporteerd dan geëxporteerd. Er wordt weinig gedaan aan onderzoek om beleid te maken en in de afgelopen jaren is de sector sterk achteruitgegaan.

Het ontbreekt Suriname aan consistent beleid op de lange termijn. Volgens Ori mist het land een gedegen analyse van de sector en hoe die functioneert. Dit resulteert in het verlies van bedrijven, terwijl er nauwelijks nieuwe bij komen. Er zal vooral een meer systematische onderwijsstructuur moeten komen met praktische activiteiten. “Willen we voedsel garanderen, dan zal er moeten worden geïnvesteerd in duurzame en innovatie strategieën.”

Rijst, tuinbouw en veeteelt

Suriname is lang niet zelfvoorzienend als het gaat om zijn eigen voedsel. De import is door de Covid-19-pandemie zelfs gestegen de laatste twee jaar. De rijstsector blijkt niet in staat te zijn de beschikbare grond – negentigduizend hectare – in te zaaien. Verder dan twintigduizend hectare komen de boeren niet. De afgelopen tien jaar is het beplante areaal niet aanmerkelijk veranderd, maar er is wel een stijging in de introductie van betere rassen. Zaaizaad wordt geïmporteerd uit Guyana.

De export naar de Europese Unie is de afgelopen periode teruggevallen. Bij groenten, fruit en tuingewassen blijkt dat er meer groente wordt geïmporteerd dan geëxporteerd. De afgelopen vijftien jaar is de import met ruim 60 procent gestegen. In 2019 heeft de groenteproductie Suriname ruim SRD 2,5 miljoen opgeleverd. Vanaf 2016 is de productie van eieren sterk gegroeid. Suriname is wat dat betreft bijna volledig zelfvoorzienend. De veeteeltsector produceert uitsluitend voor de lokale markt en is voor inputs sterk afhankelijk van het buitenland.

De varkensteelt is gestegen, maar daartegenover staat dat het aantal runderen merkbaar is verminderd, net als de melkproductie die is teruggelopen van 90 naar 30 procent. De veesector is niet meer interessant voor boeren door de hoge kosten. Er is 50 procent afname in slachtvee, bij de kleine herkauwers is dat 60 procent. Aan de andere kant is de vleesproductie met 75 procent toegenomen, door het introduceren van nieuwe, kleine herkauwers rassen. Ori ziet daarin een goed voorbeeld van het introduceren van nieuwe rassen.

De professor beaamt dat door de moeilijke positie waarin Suriname en de agrarische sector verkeren er veel uitdagingen zijn, maar benadrukt tegelijkertijd: “Het land benut zijn kansen onvoldoende”. Ze zegt dat de tuinbouwsector onder druk staat van hoge kosten, inputs, onvoldoende voorlichting, gebrek aan kredietfaciliteiten, plagen en ziekten, tekort aan kwaliteit zaad en gebrek aan technologie en kennis.

Aquacultuur en visserij

Suriname heeft met een landoppervlakte van 16,4 miljoen hectare een bosbedekking van 93 procent. Ongeveer vijf miljoen hectare van alle Surinaamse bos wordt aangemerkt als productiebos. De bosbouwsector is niet duurzaam bezig omdat het exporthout geen toegevoegde waarde heeft. Het stoppen van de export van rondhout is noodzakelijk en de lokale houtverwerking zal moeten worden versterkt. Het ontbreekt aan een goed monitoringsplan en is er een enorm tekort aan kader in de bosbouw.

Aquacultuur en visserij doen het enorm goed. De kustwateren bevatten vis met een hoge marktwaarde waar veel vraag naar is in het Caribisch Gebied, de Verenigde Staten, Europa en Japan. De visserijsector voorziet niet alleen de lokale markt, maar zorgt door export van vis en garnalen voor valuta-inkomsten. Deze branche biedt werkgelegenheid aan duizenden personen, vooral als het gaat om de verwerking en verkoop van vis en garnalen. De vraag is zowel lokaal als internationaal erg gestegen. De laatste jaren is de export toegenomen met 400 procent.

Ori merkte wel op dat de aqua verwerking in Suriname pas in de startfase verkeert en dat er sprake is van een relatief lage toegevoegde waarde voor de verse groente grondstoffen en weinig relatie met marketing en financiële diensten. Dit is het gevolg van veel kleine bedrijven, die onder hun capaciteit opereren, mede door inefficiënte hulpmiddelen. “Maar deze sector heeft enorme potentie”, aldus de professor.

Actieplan

In het actieplan gaat het om complete modernisering van de sector. “Modernisering in de wereld heeft gezorgd voor meer output. We moeten technologische vooruitgang hebben en de technologie gebruiken in de productie en verwerking. Er zal een technologisch laboratorium moeten komen ter ondersteuning van duurzame agrarische productie.”

In het document wordt gesproken over sterke innovatieve agrarische systemen die samen moeten werken, waarbij alle actoren bijeen worden gebracht. “Innovatie leidt tot groei en productie in de economie, hoog concurrentievermogen en gezinsinkomen en lagere voedselkosten op lange termijn, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, minder verlies in de voedselketen en verbetering van voedselverwerking en -kwaliteit.”

Het actieplan sluit volgens Ori aan bij de beleidsdoelen van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij. Het is gericht op 25 procent vermindering van import van agrarische producten met het oog op herstel van de economie. Het is, aldus de professor, belangrijk om verantwoord beleid te maken. Het huidige moet worden aangescherpt. Gedacht wordt aan zeevisserij die niet up-to-date is. Er moet worden nagegaan hoe overbevissing kan worden tegengegaan. Sommige soorten vis worden minder gevangen.

Het zaaizaad beleid moet worden gereguleerd en er zal beleid moeten worden ontwikkeld om 1 procent van het bbp opzij te zetten voor agrarisch onderzoek. Het beleid voor gebruik van pesticiden moet goed worden uitgevoerd om de illegale invoer ervan te stoppen.

In de praktijk is het een grote uitdaging om beleidscoherentie te bereiken tussen overheid en andere actoren. Ori noemt een programma voor diversiteit van de agro-industrie waarbij het gaat om het ontwikkelen van nieuwe marktgewassen belangrijk en pleit voor rijstonderzoek bij Adron en het veredelen van rassen die bestand zijn tegen klimaatverandering, ziekten en plagen. Het belangrijkste in het actieplan is volgens haar het aanscherpen en ontwikkelen van beleidsdoelen.

Generated by Feedzy